Skip to main content

Rondom het kampvuur





Ze zaten in een kring. De vlammen trokken traag omhoog en de rook kringelde in wispelturige slierten naar de sterrenhemel. Het was stil, op het knetteren van het hout en het zachte geritsel van
de wind door de bomen na. Geen kerkbanken, geen kaarsen in een zaal, geen rouwstoet. Alleen zij - zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, vrienden en buren - rondom een kampvuur in zijn eigen achtertuin. Hij hield van eenvoud. Van verhalen die met een glimlach verteld worden, van het buitenleven en opwarmen bij een kampvuur, van de geur van dennennaalden en de smaak van sterke, zwarte koffie in zijn oude, roestige koffiemok. Hij
geloofde dat herinneringen niet thuishoren tussen vier muren, maar buiten onder de open hemel. En dus zaten ze daar op boomstammen en klapstoelen, met dekens over hun knieën en tranen die even vrij mochten stromen als herinneringen.
Hun handen verwarmend aan de mok in hun handen met daarin koffie of chocolademelk. Iedereen deelde iets. Een grap die
alleen hij kon maken. De manier waarop hij zijn zakmes in zijn zak had ‘voor het geval dat’. Zijn vaste uitspraak als er iets tegenzat: ‘Ach, dat komt wel weer goed joh. En zo niet, dan toch’. Ze lachten en huilden, soms tegelijk. Rouwen hoeft niet stil te zijn, leerde hij hen. Het mag luidruchtig, levendig en echt. Op het eind wierpen ze allemaal een dennenappel in het vuur. Dat was het symbool voor wat ze met hem meedroegen en wat ze loslaten. De vonken dansten omhoog alsof ze zijn geest meenamen in het avonddonker. Geen dienst had dit moment kunnen vervangen. Rondom het kampvuur werd hij meer herdacht dan in duizend woorden op
papier. Het afscheid was eenvoudig, warm, oprecht en een beetje rauw. Precies zoals hij was.