Thuis
Ze is nog een klein meisje als haar moeder overlijdt. Ze herinnert zich de drukte in huis, allemaal vreemde mensen, fluisterende stemmen, en haar broertje dat zachtjes huilt. Zes lange mannen met hoge hoeden en ernstige gezichten dragen een kist het huis uit. Haar vader zegt dat mama daarin ligt. Ze staat in de deuropening. De kille oostenwind blaast haar blonde haren uit haar gezicht. In haar ene hand heeft ze haar knuffelkonijntje vast, in de andere de hand van haar broertje. Ze wil dat mama thuisblijft.
Een paar dagen later sneeuwt het. Ze staat, met haar nieuwe rode handschoentjes aan, met haar vader en broertje aan de rand van een graf. Een meneer zegt allemaal moeilijke woorden, en daarna zegt iedereen ‘amen’. De enge mannen met de hoge hoeden zijn er ook weer, en laten de kist in het graf dalen. Sneeuwvlokken bedekken de kist. Ze wil helemaal niet dat mama in de kist is, ze wil haar mee naar huis nemen.
Als het meisje opgroeit gaat ze regelmatig naar het graf van haar moeder. Ze verhuist naar de andere kant van het land en de bezoekjes worden minder. Het liefst zou ze haar moeder nog steeds thuis hebben. Dan ontvangt ze een brief van de gemeente dat de termijn van de grafrechten verloopt. In overleg met haar broertje besluiten ze de restanten van hun moeder op te laten graven en te cremeren.
Het is een koude dag, sneeuwvlokjes dwarrelen naar beneden. Twee mensen komen uit het crematorium naar buiten – de vrouw met de rode handschoenen houdt een zachte grijze tas vast. Daarin zit een prachtige ovale urn, gemaakt van hout. Ze kijkt tegen de zon in en veegt de tranen uit haar ogen. Haar broertje slaat een arm om haar schouders. Na dertig jaar hebben ze hun moeder weer vast. Bij thuiskomst in het huis van de vrouw zetten ze de urn op een
marmeren tafeltje, naast haar foto. Ze steken de kaars aan die ernaast staat. Ze is thuis. Eindelijk.